Het Nieuwe Testament begint met het geslachts-register van Jezus Christus. Hierin komen vijf vrouwen voor, van wie er vier bij naam genoemd worden: Tamar, Rachab, Ruth en Maria. Verder wordt er verwezen naar "de vrouw van Uria" - dat is Bathseba.
Op de momenten waarop hun geschiedenissen zich afspelen, blijken het vrouwen te zijn met een veelbewogen leven. Er zijn er drie weduwe. Eén van hen is een hoer en een ander doet zich voor als hoer. Twee behoren niet tot het volk Israël.
Hun geschiedenissen leren ons veel over henzelf en in sommige gevallen ook over hun vertrouwen op God. Ze bevatten tal van verwijzingen naar wat er later zou gebeuren in en door de Heere Jezus. Ook zijn het geestelijke lessen voor de gelovige van nu.
[
Hoofdstuk 1 - Tamar
Gemeenschap
Juda
Palm
Geboorte
Gedeelde komst
Scharlaken koord
De Eerste en de Laatste ... de breuk!
Hoofdstuk 2 - Rachab
De inleiding tot de geschiedenis van Rachab
De gelovige Rachab
Het koord, de hoop
Rachab als beeld van Israël
Scharlaken
Hoe het Rachab verder verging
Een bijzondere plek
Hoofdstuk 3 - Ruth
Inleiding
Lieflijk en bitter
Boaz, de sterke verlosser
Welke losser koopt?
Meer verwijzingen naar Christus
Hoofdstuk 4 - Bathseba
Uria
Vergeving
Dochter van de eed
Zoon zonder naam
Salomo
Bathseba
Typologie
Hoofdstuk 5 - Maria
Mirjam
Maagd
Ave Maria
Tempel
Bediening
Blijdschap